Foto's en biografieën van de ouderen

Deze twee hoogbejaarde zusters waren de eersten die, in 2009, steun ontvingen van de Ama Youdon Stichting. Beiden werden geboren in Lhodak in Zuid-Tibet, Ama Kyipa in 1925 en Chonyi Paldon in 1922. Beiden trouwden ook, maar geen van beiden kreeg kinderen. Ze ontvluchtten het bezette Tibet in 1959 en vestigden zich in Bhutan, maar verlieten ook dat in 1982 en vonden een derde thuis in Dehra Dun in India. (Zie over deze tweede migratie Sonam.) In 2009 waren beide zusters reeds lang weduwen en door hun ouderdom niet meer in staat om in hun eigen levensonderhoud te voorzien; ze leefden van korte-termijn aalmoezen van buren en vrienden. De steun van de Ama Youdon Stichting heeft wat dit betreft welverdiende rust gebracht in hun oude dag. Chonyi Paldon, de oudste, ziet en hoort heel slecht. Zij brak enkele jaren geleden haar rechterhand. Die is geheeld, maar eind 2015 viel ze en brak haar rechterheup. Het was een breuk van het heupgewricht zelf, waardoor een operatie niet meer mogelijk is. De enig mogelijke behandeling om de breuk te laten helen, volgens de dokter, was om een gewicht aan haar heup te hangen. Dit wil ze niet meer. Ze krijgt wel Tibetaanse medicijnen en vitaminen. Ze heeft de heupbreuk echter overleefd; ze ligt sindsdien in bed, maar wordt overdag nog wel in een rolstoel geholpen (die ook door de Ama Youdon Stichting betaald is). Eerst deden de buren dit, nu een medewerker van het Tibetan Welfare Office die dagelijks bij hen om de hoek moet zijn. Haar jongere zus Ama Kyipa, nog relatief gezond, en een jonge buurvrouw verzorgen haar. De thuiszorghulp van de Ama Youdon Stichting speelt hier ook een belangrijke rol. Ama Kyipa is het zonnetje in huis: zij heeft, net als Ama Tsering Wangmo, bijna altijd een glimlach op haar gezicht. De zussen hebben het geluk dat hun huis in 2016 door de buren gerenoveerd is, toen die hun eigen huis ook onder handen namen.

 Ama Tsering Wangmo, geboren in 1929 in Tsoyul Lhodak in Zuid-Tibet, is een zeldzame verschijning. Ze is een van die weinige mensen die altijd glimlachen: de lach wijkt niet van haar gezicht, ondanks haar zware leven. Toen we haar vroegen hoe het met haar ging, was het antwoord – met diezelfde glimlach: “Ach, van mijn hoofd tot mijn voeten geeft alles problemen.” Ze is onder andere wat duizelig als ze ’s morgens uit bed komt. In 2014 is ze gevallen, waaraan ze een knobbel in haar pols heeft overgehouden. Ze ziet slecht, draagt een bril en loopt met een stok. De thuiszorghulp van de Ama Youdon Stichting helpt haar af en toe, maar verder zorgt ze nog voor zichzelf.
Ama Tsering Wangmo was getrouwd toen ze in 1959 met haar man naar Bhutan vluchtte en vandaar in 1982, zoals vele andere Tibetanen (zie bijvoorbeeld Sonam) naar Dehra Dun in India. Haar man overleed rond 1990; het paar heeft geen kinderen. Ama Tsering Wangmo heeft in Dekyiling (de Tibetaanse nederzetting bij Dehra Dun waar ze woont) geen familieleden en leefde, toen ze niet meer kon werken, van de kleine en wisselende gaven van mensen uit de buurt, totdat ze in 2010 steun kreeg van de Ama Youdon Stichting. Ze doet mee aan de gebedsbijeenkomsten in de gebedshal van Dekyiling (zie Sonam). Toen we haar in 2016 bezochten en bij het afscheid zeiden dat we haar volgend jaar weer hoopten te zien, zei ze: “Ik denk dat ik dit jaar ga. Ik ben 87” – met haar onverwoestbare glimlach. Wij stonden voor een tevreden mens.
 Tsering Wangmo

Ashu Tenzin is geboren in 1937 in Toe Dingri in de Tibetaanse provincie U-Tsang. Ze is nooit getrouwd en heeft geen kinderen. Ze vluchtte in 1959 over de bergen naar Sharkhumboo in Nepal en bereikte uiteindelijk in 1966 India. Ze woont nu in Dekyiling bij Dehra Dun. Daar heeft ze weliswaar niet, zoals de vluchtelingen die via Bhutan kwamen (zie Sonam), een eigen huis gekregen, maar wel een huurhuis waarvoor ze geen huur hoeft te betalen. Het is zelfs onlangs gerenoveerd; ze heeft nu een mooie kamer en een keuken. Die zagen er ook goed onderhouden uit, mede dankzij de hulp van de thuiszorghulp van de Ama Youdon Stichting. Ashu Tenzin ziet aan één oog slecht en heeft rug- en kniepijn. Ze kookt nog wel voor zichzelf, maar neemt ook deel aan de puja’s (gebedsbijeenkomsten) in de gebedshal (zie Sonam) en gebruikt daar het ontbijt en de lunch. Ashu Tenzin heeft een positieve en tevreden instelling. In 2018 gaat ze voor het eerst in haar leven, op advies van het ziekenhuis, een bril aanschaffen (voor het verzien). Ze heeft overigens nooit leren lezen, maar kan wel cijfers onderscheiden.



Tsamcho Dolma werd in 1932 geboren in Lhodak (Zuid-Tibet), leefde daar als boerin, trouwde en kreeg een dochter. Na de Chinese invasie van Tibet in 1959 vluchtte het gezin over de Himalaya naar Bhutan en bereikte later Dehra Dun in India. Haar man is gestorven. Haar dochter is geestelijk enigszins beperkt en raakte aan het zwerven. Tsamcho Dolma woont in een heel klein huurkamertje op de noordzijde van de kam van het bergdorp Mussoorie (2000 m hoog) bij Dehra Dun. Ondanks haar hoge leeftijd dreef ze tot 2016 een klein kledinghandeltje op de markt van Mussoorie. Deze markt bevindt zich aan de zuidzijde van Mussoorie op ca. 500 m van haar kamer. Die afstand liep ze dagelijks heen en weer, “ook om wat zon te krijgen”, zoals ze tegen ons zei. Op de markt kenden alle Indiërs haar, ze praat met iedereen. Haar knieën zijn nu echter zo slecht geworden dat ze niet meer naar de markt kan, maar alleen nog af en toe naar een dichterbij gelegen tempel om de gebedsronde te doen. Haar kamerhuur is vrij hoog voor haar; hoewel ze zo naar een Tibetaans bejaardenhuis in de buurt zou mogen verhuizen, wil ze dat echter niet. De reden hiervoor is dat haar dochter weer opgedoken is, met drie kleine zoontjes; de man van de dochter probeert elders in India wat te verdienen, maar dat is heel weinig. Tsamcho Dolma heeft haar dochter opgenomen in haar kleine kamer en de kleinkinderen ondergebracht op een Tibetaanse kostschool in de buurt. Een van haar kleinzoons had in 2017 tuberculose en heeft dat maar net overleefd, maar is nu goed hersteld. Moeder en dochter huren hun kamer in een buurt waar alleen Indiërs wonen; doordat de moeder zo slecht ter been is, hebben ze nauwelijks meer contact met andere Tibetanen. Verhuizen naar de Tibetaanse nederzetting Dekyiling bij Dehra Dun (enkele tientallen km van Mussoorie, in de laagvlakte) zou een optie zijn, zij het dat de kamerhuur daar hoog is. De Tibetan Settlement Officer (hoofd van de Tibetaanse nederzettingen in de regio) onderzoekt of hier toch wat te regelen is voor Tsamcho Dolma en haar dochter.

De oudste begunstigde van de Ama Youdon Stichting, Nima Gyalpo, is geboren in 1920. Bij elk bezoek zijn we verwonderd over zijn zachte, vriendelijke uitstraling en de glimlach die hij veelvuldig laat zien, ondanks zijn broze gezondheid en zijn breekbare lichaam. Zijn oren zijn slecht en voor zijn maagproblemen is geen enkel medicijn afdoende gebleken, maar hij lijkt er niet zichtbaar onder te lijden. “Mijn maag spreekt luidruchtig, maar daar is geen medicijn voor op de markt.” Nima Gyalpo woonde oorspronkelijk met zijn vrouw in Kongpo in Tibet, tot aan de Chinese invasie van 1959. Toen ondernamen zij net als zovele anderen de lange, gevaarlijke tocht dwars over de Himalaya heen en bereikten Menchukha in de Indiase deelstaat Assam. Nima’s vrouw overleed in 1986. Ze hebben geen kinderen. Een vrouwelijk familielid van Nima dat naast hem woont in de kleine Tibetaanse nederzetting Tsering Dhonden, op een heuveltop in het Indiase dorp Raipur, verzorgt hem. Dat gaat zo goed dat bijstand van de thuiszorghulp van de Ama Youdon Stichting niet nodig is. Als we in 2016 zeggen dat we hem volgende keer weer hopen te zien en misschien zijn 100e verjaardag ook wel kunnen vieren, is zijn reactie: “Misschien leef ik nog maar een of twee jaar, misschien word ik 105 of 110, maar blijf me alstublieft helpen. Jullie zijn namens God gekomen.” Hij heeft “al wel 70 lak Om mani padme hum’s” voor zijn begunstigers van de Ama Youdon Stichting gebeden. Om mani padme hum is de populairste boeddhistische mantra; een “lak” betekent 100.000…..

De doofstomme vrouw Tsewang Dolma, geboren in 1945 in Lhorak in Zuid-Tibet, komt uit een familie van nomaden, rondtrekkende veeboeren. De familie verliet Tibet tijdens de Chinese invasie in 1959 en bereikte via de Himalaya Bhutan, waar ze aanvankelijk konden blijven. In 1982 kwam de Tibetaanse regering in ballingschap met de Bhutanese en de Indiase regering overeen dat een deel van de talrijke Tibetaanse vluchtelingen in het kleine Bhutan opnieuw gehuisvest werd in India. Zij kwamen in Dehra Dun terecht. Ook de familie van Tsewang Dolma maakte deze tweede migratie mee en vestigde zich in Dekyiling.
Na het overlijden van hun moeder bleven Tsewang Dolma en haar broer Chungtak alleen achter. Chungtak heeft een klein spraakgebrek en een lichte verstandelijke beperking, maar is in staat om Tsewang Dolma, die nooit gebarentaal heeft geleerd, zodanig te ondersteunen dat zij samen het dagelijks leven kunnen bolwerken. Hij spreekt zelfs enkele woorden Engels. Ze doen het huishouden samen: zij wast bijvoorbeeld hun kleren. Hun gezondheid is verder goed en ze zijn vrolijk van aard. Een lama uit Dekyiling heeft hun een verdieping van zijn huis ter beschikking gesteld om in te wonen. Tsewang Dolma weet zich, als het gaat om zaken binnenshuis, goed verstaanbaar te maken aan haar broer. Als zij bijvoorbeeld iets wil zeggen over een persoon buitenshuis, duidt ze de lichaamskenmerken van deze persoon aan, zodat haar broer weet over wie ze het heeft. De steun van de Ama Youdon Stichting is voor deze beide mensen onontbeerlijk.

Dechen Youdon (geboren in 1923 in Lhasa, de hoofdstad van Tibet) ontvluchtte Tibet in 1959 via Kalimpong (West Bengalen). Ze trouwde met de heer Palden en ging als stratenmaakster werken in Dehra Dun in 1962. (In India is het niet ongebruikelijk dat ook vrouwen aan de weg werken.) Na jaren van armoede begon ze zelfgebreide truien, mutsen en sokken te verkopen langs de weg. In 1984 scheidde het paar en ging haar man terug naar zijn eerste vrouw in Tibet. In 1986 ging ze samenwonen met Tashi Wangdu (geboren in 1933). Deze man was soldaat in het voormalige Tibetaanse leger, in een compagnie die de Dalai Lama begeleidde op diens vlucht naar India in 1959, tot aan de grens (net als Sonam, zie daar); vanaf de grens trok de Dalai Lama, die niet met een leger India in wilde komen, alleen met zijn eigen lijfwacht en familie verder. Tashi Wangdu keerde met zijn compagnie terug naar Lhasa, maar vanwege de militair uitzichtloze situatie van Tibet vluchtte hij twee weken later zelf ook naar India.
Dechen Youdon heeft rond 2010 een herseninfarct gehad en was tijdelijk rechtszijdig verlamd, maar is daar redelijk van hersteld, mede dankzij vele liefdevolle massages door Tashi Wangdu. Alleen spreekt en hoort ze slecht en loopt ze voorzichtig. Tashi Wangdu’s oren en ogen gaan enigszins achteruit; er wordt onderzocht of behandeling van zijn ogen mogelijk is. Verder is zijn gezondheid in orde. Hij is haar spreekbuis. Vanaf 1970 woonde zij, later samen met hem, in een gehuurde kamer in Mussoorie, maar sinds kort hebben ze samen een grote kamer in een Tibetaans bejaardenhuis in Mussoorie, wat voor hen een enorme vooruitgang is. Ze betonen zich goedgemutst en gelukkig. Ze krijgen af en toe extra hulp van onze thuiszorghulp. In 2016-17 moesten ze tijdelijk verhuizen naar een bejaardenhuis in Rajpur (2000 m lager) omdat het gebouw in Mussoorie gerestaureerd moest worden, maar inmiddels zijn ze daar weer terug – tot hun genoegen, want “de lucht is daar frisser”.

Hoewel ook Lobsang Chhonjor nu te oud is om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien (hij is geboren in 1933), geniet hij een goede conditie van lichaam en ziel: hij is fit voor zijn leeftijd en vrolijk. Dit is te danken aan het feit dat hij zowel monnik als soldaat is geweest. Hij zat in het Kuendeling-klooster in Lhasa, de hoofdstad van Tibet, toen de Chinezen in 1949 Tibet politiek overnamen. In 1957, op 24-jarige leeftijd, sloot hij zich aan bij het toen nog autonome Tibetaanse leger om de Chinezen te bestrijden. Naast burgers deden ook vele monniken dit; het betekende uiteraard wel het einde van hun kloosterleven, want een monnik mag niet doden: dat is een van de geloften die boeddhistische monniken afleggen. Lobsang Chhonjor hielp de Dalai Lama bij diens vlucht naar India in 1959 (zie ook Sonam en Tashi Wangdu). Zelf vluchtte hij, toen de Chinese overmacht te groot bleek, vervolgens ook naar India. Hij nam de route via de berg Marpo-La naar de Indiase deelstaat Assam. Daar vestigde hij zich in Dalhousie en ging als stratenmaker aan de slag. In 1963 besloot hij echter opnieuw het leger in te gaan, nu het Indiase leger en wel de speciale Tibetaanse eenheid daarbinnen, die ingezet wordt in de bergen, omdat de Tibetanen aan dat klimaat gewend zijn. Hij zwaaide in 1986 af. Een pensioen kreeg een soldaat toen nog niet en dat is de reden dat hij nu onze steun ontvangt. Hij kon in Dekyiling bij een vriend intrekken en na diens overlijden in zijn huis blijven wonen. Dankzij het feit dat hij in legerdienst niemand heeft hoeven doden, kon hij opnieuw de monniksgeloften afleggen. Hij draagt de pij niet opnieuw, maar doet verder alle monniksplichten. Het leven van Lobsang Chhonjor is een toonbeeld van discipline – wat ook in zijn huis goed te zien is.


Lobsang Chhonjor

Kelsang Choden is geboren in de oosttibetaanse provincie Kham, maar haar leeftijd is onduidelijk. Het laatste komt bij Tibetaanse vluchtelingen meer voor, want een geboortebewijs hebben ze zelden en in hun cultuur wordt niet zo nauwkeurig met leeftijd omgegaan als bij ons. Verjaardagen worden ook niet gevierd; met Tibetaans Nieuwjaar wordt iedereen één jaar ouder. Kelsang Choden staat nu te boek als geboren in 1940, maar ziet er 10 à 20 jaar jonger uit. Ze is in 1963 over de Himalaya naar Nepal gevlucht en vandaar naar Manali in India. Daar werkte ze als stratenmaakster (in India niet ongebruikelijk voor vrouwen), trouwde ze en kreeg ze twee zonen en een dochter. Haar man overleed in 1975. Eén zoon (die goede studieresultaten behaalde en ook nog een goed voetballer was) en de dochter (die al getrouwd was) overleden eveneens als jongvolwassenen aan tuberculose. De andere zoon heeft ook tuberculose gehad, heeft het overleefd maar is niet meer geheel gezond geworden. Hij werkt sinds kort in een pension voor kost en inwoning en een zeer gering loon. Kelsang Choden maakt Tibetaanse koekjes voor monniken. Ze heeft momenteel geen woning en slaapt in een garage in het dorp Clementtown bij Dehra Dun.

Haar situatie was moeilijk te beoordelen, zowel voor het plaatselijke Tibetan Welfare Office (dat mensen aan ons voordraagt voor begunstiging) als voor de Ama Youdon Stichting. In principe is de vrouw nog te gezond en te jong voor een Tibetaans bejaardenhuis – de tuberculose die haar familie uiteen rukte schijnt haar niet te deren (“Mijn longen zijn wit”, zegt ze zelf). Ze heeft wel rugpijn gehad, maar is daarvoor naar een warm bronnenbad in Manali geweest. Ze ziet er goed uit en is uitermate spraakzaam. Onze indruk is dan ook dat ze in staat zou moeten zijn om zelf wat meer te werken en zichzelf financieel te onderhouden – zoals zelfs haar halfzieke zoon nog lukt. We hebben daarom samen met het Welfare Office besloten om haar tijdelijk te ondersteunen op voorwaarde dat ze zelf zoekt naar eigen inkomsten en probeert zichzelf te onderhouden. Daar ging ze mee akkoord. Ze is innig dankbaar voor de geboden hulp en bidt voor de schenkers.

De heer Lobsang Chhophel en mevrouw Namgyal Dolma zijn beiden geboren in het zuidelijke deel van Tibet, respectievelijk in 1934 en 1936. Ze trouwden daar, maar kregen geen kinderen. Ook zij waagden na de Chinese inval in 1959 de grote, zware oversteek over de Himalaya naar Bhutan en trokken in 1982 verder naar Dekyiling in India. (Over deze tweede migratie: zie Sonam). Lobsang Chhophel heeft als bouwarbeider gewerkt. Enkele jaren geleden kreeg hij een hersenbloeding en raakte tijdelijk rechtszijdig verlamd. Daarvan is hij inmiddels redelijk hersteld; alleen zijn rechterhand geeft nog problemen. Hij heeft Tibetaanse medicijnen tegen de verlamming gekregen en westerse medicijnen tegen zijn hoge bloeddruk. Hij wordt sinds 2014 door ons ondersteund. Zijn vrouw krijgt Tibetaanse en westerse medicijnen voor haar ademhaling en heeft één zwakke arm, maar is verder redelijk in orde. Ze verdiende geld met het maken van tsampa, het Tibetaanse ontbijt van gerstemeel, maar kan dat nu niet meer doen, mede omdat ze voor haar man zorgt. Daarom wordt ook Namgyal Dolma sinds begin 2016 door ons ondersteund. Lobsang Chhophel krijgt nog dagelijks fysiotherapie, eerst in het nabije ziekenhuis, nu thuis. Hij loopt dagelijks enkele gebedsronden om de tempel heen. Overigens krijgen ouderen Tibetaanse medicijnen heel goedkoop, maar westerse medicijnen zijn heel duur voor hen; dat is een van de dingen waarvoor onze ondersteuning onontbeerlijk is. Roerend is dat Namgyal Dolma tegen ons zei dat ze hoopte haar man te overleven, omdat hij niet zonder hulp kon. We hebben natuurlijk uitgelegd dat ook als hij langer leeft dan zij, we zorg voor hem zullen regelen – maar we konden haar zorg niet geheel wegnemen.

In tegenstelling tot de meeste andere begunstigden van de Ama Youdon Stichting is Sonam Nyendak (geboren in 1943) goed opgeleid: hij spreekt Engels, geeft Tibetaanse les en heeft zelfs in Europa gewoond. Zijn opleiding heeft hij te danken aan het feit dat hij al als kind monnik werd (niet ongebruikelijk bij boeddhisten) en wel in het Sera-klooster in Tibet. In 1960, een jaar na de Chinese invasie, vluchtte hij met zijn goeroe via Bhutan naar Buxa in India. Deze goeroe was Kalu Rinpoche, bekend van diens latere boeken over tantra voor westerlingen. Sonam Nyendak had inmiddels beide ouders verloren. In Buxa zat hij nog een jaar op school en daarna werd hij door zijn orde naar Mussoorie gestuurd, waar net een nieuwe school voor Tibetaanse kinderen van start ging. Na deze school ging hij naar de Tibetaanse universiteit in Varanasi , waar hij in 1974 zijn diploma haalde. Vervolgens trok hij als monnik met Kalu Rinpoche naar Parijs en gaf daar een jaar lang Tibetaanse les. Hetzelfde werk deed hij ook een tijd lang in Zweden. In die tijd vond de moord op de Zweedse premier Olof Palme plaats. In de nasleep van deze moord meende Sonam Nyendak een zekere weerstand tegen donkere buitenlanders in Zweden te voelen en besloot hij terug te keren naar India.

In 1985 verliet hij het klooster, maar hij is nooit getrouwd en heeft geen kinderen. Hij woont nu in het dorp Clementtown bij Dehra Dun, in de Tibetaanse nederzetting Dhondupling. Hij is kortademig en heeft een hoge bloeddruk, waarvoor hij westerse medicijnen slikt. Een verpleegster uit de Tibetaanse gemeenschap zorgt voor hem. In 2017 kreeg hij tyfus, maar is na een verblijf in het ziekenhuis goed hersteld. Hij geeft nog altijd Tibetaanse les aan kinderen en volwassenen. (Hij kan dit maximaal twee uur achtereen volhouden.) Omdat hij echter “gratis is opgeleid op kosten van de Dalai Lama”, zoals hij zegt, weigert hij om zijn kennis te verkopen en vraagt hij geen geld voor zijn lessen. Sommige leerlingen of hun ouders bieden wel spontaan een vergoeding aan. Als de leerling succesvol is, aanvaardt hij zo’n vrijwillige vergoeding volledig; als dat niet zo is en de leerling of de ouders willen toch betalen, aanvaardt hij een deel. Als de leerling of de ouders meer geld aanbieden dan ze eigenlijk kunnen missen (hij kent de meesten goed), neemt hij ook maar een deel aan. Daardoor heeft hij moeite om zijn huur te betalen; hij zou echter in gewetensnood komen als hij geld voor zijn lessen zou vragen. Zo komt het dat ook deze goed opgeleide oudere vluchteling in armoede verkeert en de steun van de Ama Youdon Stichting nodig heeft. De donateurs zijn verzekerd van zijn gebeden!

In tegenstelling tot de meeste anderen is Mr. Kalsang (geboren in 1938) pas in 1989 uit Tibet gevlucht naar Dharamsala in India. Oorspronkelijk was hij in Tibet monnik, maar toen zijn klooster vernield werd door de Chinezen, werden 350 van de 1000 monniken gearresteerd en de overige 650 (onder wie hij) verjaagd. Kalsang heeft toen zijn pij afgelegd, is getrouwd en kreeg drie zoons en een dochter. In 1989 raakte hij slaags met een Chinees die Mao prees en vluchtte toen naar India om aan de Chinese politie te ontkomen. Zijn gezin moest hij achterlaten in TIbet. Hij ging in Dharamsala als bakker van Tibetaans brood werken. Dat werk heeft hij later ook in New Delhi twee jaar gedaan, waarna hij naar Rajpur (een dorp in de buurt van Dehra Dun) trok om daar als nachtwaker te werken. Dit werk was zwaar voor zijn leeftijd; hij hield het vijf jaar vol. Tot 2016 heeft hij nog als bakker in een Tibetaans restaurant in Rajpur gewerkt. Toen de eigenaar van de kamer die hij huurde, het pand wilde restaureren, werd hij eruit gezet. Hij vond een nieuwe kamer bij een Tibetaanse huiseigenaar die hem beter gezind is: de eerste paar maanden hoefde hij zelfs nog geen huur te betalen. De kamer komt uit op een groot zonnig terras met weids uitzicht over een dal. Aan de muur van zijn kleine kamer hangt een portret van de Sakyapa Lama, de leider van een van de vier takken van het Tibetaans boeddhisme, die zelf overigens ook in Rajpur woont. Met zijn gezin heeft hij helaas vrijwel geen contact meer; wel heeft hij gehoord dat zijn dochter gestorven is. Een Tibetaanse vrouw die hoofd van de Tibetaanse gemeenschap in Rajpur is, brengt hem af en toe eten of kookt voor hem. In 2018 begon zijn geheugen achteruit te gaan.

De Tibetaanse cultuur kent geen achternamen of familienamen; een Tibetaan kan een, twee of drie namen hebben, maar het zijn allemaal voornamen. Mr. Legden, geboren in 1940 in Lhasa, de hoofdstad van Tibet, vocht als 19-jarige met het kleine toenmalige Tibetaanse leger tegen het Chinese invasieleger. Na de val van Tibet in hetzelfde jaar ontsnapte hij via Lhokha Tsethang en Tawang naar de Indiase deelstaat Assam. Hij werkte enige tijd als stratenmaker in Sikkim en ging in 1962 opnieuw in het leger, maar nu het Indiase, en wel de paramilitaire Special Frontier Force, die in de Himalaya ingezet wordt en voornamelijk door Tibetanen bemand wordt, omdat deze gewend zijn aan het hooggebergte. Hij is een van de vele Tibetaanse mannen die vrijgezel bleven in de hoop als soldaat te kunnen bijdragen aan een bevrijding van Tibet; mochten ze sneuvelen, dan zouden ze in elk geval geen gezin zonder levensonderhoud achterlaten, zo was hun redenering. Het Indiase leger kende inderdaad lange tijd nog geen pensioenen, ook nog niet toen Legden in 1989 afzwaaide. Hij werkte nog enige tijd als nachtwaker, maar is nu afhankelijk van de steun van de Ama Youdon Stichting. Hij woont in het dorp Rajpur bij Dehra Dun, waar hij een kamer huurt van een Tibetaanse huiseigenaar die weinig huur vraagt.

Jampa Wangchuk (geboren in 1931 in Gapa in de Tibetaanse regio Kham) was soldaat in het kleine Tibetaanse leger dat in 1959 een korte, vergeefse guerrilla voerde tegen het bezettende Chinese leger. Daarvan getuigen nog twee grote littekens op zijn linker onderarm en rechterpols, die hij ons bij de eerste ontmoeting liet zien. Na de overwinning van de Chinezen vluchtte hij naar India. Via Dharamsala kwam hij naar Dehra Dun en werd boeddhistisch monnik. Rond 2015 ging zijn gezondheid sterk achteruit: hij loopt nog slechts moeizaam met een looprek, zijn geheugen gaat achteruit en hij heeft een zwakke spijsvertering. Een non uit het Drikung Kagyu klooster in Dehra Dun (zelf een 'nieuwkomer' uit Tibet, 2001) bood aan om voor hem te zorgen; haar klooster heeft hem een kamer gegeven in het retraitecentrum dat bij het klooster hoort, om dit mogelijk te maken.

Een van de relatief jongere begunstigden is Sonam Tsenphel, geboren in 1950 in Tibet als nomade. Hij bleef ongetrouwd en besloot in 1995 naar India te gaan. Vanuit zijn geboorteplaats Diru (regio Kham) ging hij eerst naar Lhasa en vandaar ondernam hij de populaire boeddhistische pelgrimage naar de heilige berg Kailash. Vanaf de Kailash is het mogelijk ongezien door de Himalaya naar Nepal te lopen, maar het is een zware tocht door het hooggebergte. Vanuit het Tibetaanse ontvangstcentrum in Nepal werd hij naar Delhi gestuurd en vandaar naar Dehra Dun. Daar huurde hij een klein huis in de Tibetaanse nederzetting Dekyiling en ging als kleermaker werken in het Tibetan Handicraft Centre. Toen zijn ogen achteruitgingen moest hij dit werk opgeven en vond een klein baantje als poortwachter in het nabije Drikung monnikenklooster. Hij krijgt daar kost en inwoning en een heel klein salaris. Hij heeft reuma en sinds 2006 hinkt hij enigszins. Contact met de monniken heeft hij alleen als hij de z.g. gebedsronde (kora) loopt. Hij heeft een vrolijke, vriendelijke uitstraling.

OVERLEDEN EN VERTROKKEN OUDEREN

 

Mrs. Kalden Lhamo is in 1945 in Lhorak in Zuid-Tibet geboren. Zij is in 1959 uit Tibet moeten gevlucht. Mrs. Kalden Lhamo is niet getrouwd geweest. Zij woont in Dekyiling in de Tibetaanse Gemeenschap.

Mrs. Kalden Llamo is op 25 juli 2015 van ons heengegaan.

 

Mr. Karma Sherab is in 1950 in de Tibetaanse provincie U-Tsang Tibet geboren. Zoals de meeste van onze mensen was ook hij een nomade. Karma Sherab is in 1959 via Nepal naar India gevlucht. Hij werkte enige tijd als hulpkok op een school. Hij woont nu in Clementown in Dehradun.

Mr. Karma Sherab is op 1 augustus 2014 verhuisd naar Zuid-India.

Mr. Tsewang Namgyal is in 1927 in Zuid-Tibet geboren. Na de Chinese invasie is hij met zijn vrouw in 1959 naar Bhutan gevlucht. Na 23 jaar in Bhutan gewoond te hebben werd hij gedwongen ook dat land te verlaten. Zijn vrouw die altijd voor hem zorgde is in 2012 gestorven en Tsewang Namgyal woont nu in Dekyiling.

Mr. Tsewang Namgyal is zelf op 1 februari 2014 overleden.

 

Mrs. Ama Dolkar is geboren in 1936. In 1959 is zij naar het oosten van India gevlucht en later naar Dekyiling gegaan. Haar man , die enkele jaren geleden is gestorven , vocht in het Tibetaanse leger tegen de Chinezen.

Mrs. Ama Dolkar is op 8 december 2014 van ons heengegaan.

Mr. Sonam heeft in India als arbeider gewerkt aan de bouw van wegen, huizen en dergelijke. Hij is sinds enige jaren weduwnaar. Hij heeft geen grote sociale kring, maar heeft wel contact met zijn buurman en gaat ook regelmatig naar de gebedsbijeenkomsten (puja’s ) in de gebedshal van Dekyiling. Sonam maakt ook boterlampen voor de gebedsbijeenkomsten.

Mr. Sonam is op 23 september 2016 overleden.

 

Mr. Dondhup , geboren in 1941, uit Rajpur hebben wij vanaf september 2010 kunnen ondersteunen. Helaas is hij op 1 augustus 2012 overleden.

 

Mrs. Kalden Lhamo is in 1945 in Lhorak in Zuid- Tibet geboren. Zij is in 1959 uit Tibet moeten vluchten. Mrs. Kalden Lhamo is niet getrouwd geweest. Zij woont in Dekyiling in de Tibetaanse Gemeenschap.
Zij is op 25 juli 2015 overleden.

 

Mr. Jampa Yingmi, geboren 1943. Wij hebben hem vanaf 1 september 2010 financiële ondersteuning kunnen geven.
Hij is overleden op 1 april 2011

 

Mr. Jamyang, geboren in 1934 is op 1 maart 2011 van ons heengegaan. Wij hebben hem vanaf 1 september 2010 kunnen ondersteunen.

 

Mr. Kalsan Gyaltso, geboren in 1935, woonde in Clementown. Vanaf december 2011 hebben wij hem financieel ondersteund.
Hij is overleden op 1 oktober 2012. 

 

Mr. Jampa Chhophel, geboren in 1934 in Zuid-Tibet, was oorspronkelijk monnik, maar nadat hij in 1959 naar Bhutan gevlucht was, verliet hij zijn orde en trouwde. Hij kreeg geen kinderen en toen hij in 1982 opnieuw verder trok (zie hierover Sonam) naar Dekyiling bij Dehra Dun in India, was zijn vrouw al gestorven. 

Mr. Jampa Chhopel is op 9 juni 2016 overleden.

 

Lhamo Thar is in 1932 geboren in Labdrang (provincie Amdo) in Tibet. Ze trouwde en kreeg een zoon toen ze rond de 20 was, maar haar man verliet haar al vroeg weer. In 1959 vluchtte ze via de berg Kailash (een heilige berg voor de boeddhisten) naar de Indiase deelstaat Sikkim. Daar werkte ze enkele jaren als stratenmaakster (niet ongebruikelijk voor vrouwen in India) en kreeg tuberculose, maar overleefde dit. Later trok ze naar Bodhgaya (eveneens een heilige plaats voor boeddhisten), waar ze langs de weg voedsel verkocht. 

Ze is op 30 september 2017 overleden. Haar buren hebben bijgedragen aan de bekostiging en uitvoering van de nodige rituelen.